Go to Content
Go to Navigation

Cradle to cradle: iets heel anders dan recycling

Wereld zonder afval

Auteur: Chris Sprangers • Gepubliceerd: donderdag 28 feb 2008

Versleten Nike's die weer sportschoen worden, ijsverpakkingen waar bloemen uit groeien: het cradle-to-cradle-principe houdt in dat alles steeds opnieuw wordt gebruikt. Nederlandse gemeenten zijn enthousiast. ‘Fabrikanten willen ook wel. Die houden helemaal niet van afval.'

Wethouder Mark Verheijen van Venlo is jong en ambitieus. Draagt nochtans het hoofd niet in de wolken en heeft de voeten stevig op de grond. Hij wil er ook niet aan dat híj bedacht zou hebben dat Venlo zich sterk moet maken voor het cradle-to-cradle-principe. Wat het wel heel erg aan het doen is. Het initiatief dáártoe kwam van de lokale Kamer van Koophandel, zegt de VVD-wethouder, die twee jaar geleden aan zijn eerste zittingsperiode begon. Maar nu hij gegrepen is, gaat hij ook voluit. Dat de westerse wereld, al helemaal na ‘Al Gore', om ‘duurzaamheid' draait, was hem niet ontgaan. En word je dan wethouder, dan ben je in de gelegenheid daar iets mee te doen. Waarover verderop meer.

Cradle-to-cradle -­ kortweg C2C -­ is een ontwerp- annex productieprincipe dat werd bedacht en in 2002 in een boek werd gepropageerd door de Amerikaanse architect William McDonough en de Duitse chemicus en ex-Greenpeace-activist en chemicus Michael Braungart. ‘Grenzen aan de groei?' Onzin, zeggen beide heren. ‘Consuminderen'? Alleen het woord al. Als alles volgens het C2C-principe gemaakt wordt gemaakt, kunnen we ongebreideld doorgroeien. Want afval bestaat dan niet meer. Niet als afval tenminste. ‘Afval is voedsel', zeggen Braungart en McDonough, met een feilloos gevoel voor de kracht van een rake slagzin. Voedsel voor ofwel het biologische systeem, ofwel het industriële systeem. Dat betekent dat er bij het ontwerp van een product niet alleen gekeken wordt naar wat dat product moet doen zolang het nog dat product is, maar ook naar wat er daarna mee moet gebeuren. Aan het eind van zijn levensduur moet dat product zonder veel moeite uiteen te nemen zijn in onderdelen die allemaal weer een hoogwaardige grondstof zijn voor een nieuw product -­ een nieuwe stoel, of anders wel een moestuin.

Textiel

Zo bouwde de Zwitserse textielfabriek Rohner, wiens afsnijdsel ­- Rohner maakt stoffen van synthetische garens in alle kleuren van de regenboog ­- door de overheid als zwaar chemisch afval werd beschouwd, aan de hand van McDonough zijn hele productie om. Het kunststof basismateriaal werd vervangen door een biologisch afbreekbaar ­- zelfs voedzaam ­- natuurlijk materiaal op katoenbasis. De giftige kleurstoffen werden na langdurig overleg met Braungart en na uitvoerig testen door Ciba Gygi (een chemiebedrijf dat nu onderdeel is van het farmaceutische concern Novartis) vervangen door zestien kleurstoffen. Hiermee kunnen ze de hele regenboog weer namaken, en deze stoffen zijn volstrekt ongevaarlijk voor plant en dier -­ inclusief de mens. Het volledig composteerbare afval wordt nu tot vilt verwerkt en aan lokale boeren verkocht, die er 's winters de plantjes mee afdekken. Het afvalwater gaat schoner de fabriek uit dan het erin komt. De textiel kan, eenmaal versleten, weer als kunstmest dienen.

Er zijn inmiddels tal van hoopgevende en soms opzienbarende voorbeelden, zoals we konden zien in een documentaire die de VPRO al in 2006 maakte. Er zijn composteerbare T-shirts, en sportschoenen van Nike die moeiteloos uit elkaar kunnen worden gehaald als ze zijn versleten, waarna er van de onderdelen nieuwe schoenen worden gemaakt. De fabrikant Herman Miller ontwierp kantoormeubels die aan het eind van hun leven door de fabriek kunnen worden teruggenomen, waarna die er weer nieuwe stoelen van maakt; Unilever bedacht een verpakking voor ijsjes, die een paar uur nadat ze zijn ontdooid en door de gebruiker in de berm zijn gegooid vloeibaar worden, waarna de zaden van de exotische planten die erin verwerkt zitten, ter plekke kunnen gaan bijdragen aan het landelijk schoon. McDonough zet gebouwen neer die ­ 's zomers gekoeld en 's winters verwarmd ­ meer energie opleveren dan ze gebruiken en waar, als het gaat om fabrieksgebouwen, het afvalwater schoner weggaat dan het binnenkomt.

Cradle to Cradle vs Recycling

Lijkt C2C dan niet heel erg op recycling? Het lijkt er een beetje op, maar verschilt er toch essentieel van. Bij het recyclen van bijvoorbeeld plastic flessen is niet van tevoren rekening gehouden met hergebruik. Reguliere plastics zitten vol chemische stoffen -­ weekmakers en dergelijke ­- die er niet meer uit te krijgen zijn. Bijgevolg is dat plastics bij de eerste ronde hergebruik zodanig in kwaliteit teruggelopen, dat je er niet opnieuw flessen van kunt maken. Maar wel ­ -zoals gebeurt ­- bloempotten. Die op hun beurt nog een leven mee kunnen, waarna het plastic van de bloempot nog een derde leven kan leiden als paaltje langs de snelweg. Bij iedere stap loopt de kwaliteit van het materiaal echter verder terug. En uiteindelijk houd je toch rotzooi over, alleen nog goed voor de verbrandingsoven. Het materiaal is alsnog in rook opgegaan -­ in een slingerlijn van de wieg naar het graf.

De fout zit hem in het ontwerp van de fles. Alles wat je na die fout doet, aldus McDonough en Braungart, is lappen. ‘Als je vanuit de VS naar Mexico wilt', geeft McDonough als voorbeeld, ‘en je merkt dat je naar het noorden rijdt, kun je wel langzamer gaan rijden, maar eindig je toch in Canada.' Het roer moet dus echt om en het product moet zo worden ontworpen dat het leven van de materialen die erin verwerkt zijn, gewoon doorgaat -­ ad infinitum -­ in een eeuwigdurende cirkel van de wieg naar de wieg.

Nu hoef je geen theoretisch natuurkundige te zijn om in te zien dat het voortdurend van elkaar scheiden ­- het reorganiseren -­ van materialen zonder kwaliteitsverlies veel energie kost. Je doet een scheutje melk nu eenmaal makkelijker ín een kop koffie dan dat je het eruit haalt. Het bewaren ­- en helemaal het opwaarderen ­- van de kwaliteit van materialen in samengestelde producten kost energie ­ heel veel energie. Het C2C-concept houdt daar in zoverre rekening mee dat bij het ontwerp van producten altijd wordt gestreefd naar homogene onderdelen en naar zo min mogelijk mengsels. Maar zelfs dan heb je nog steeds veel energie nodig. En moesten we daar juist niet heel zuinig mee omgaan?

Aandacht voor materialen

Gijsbert Korevaar is coördinator van de masteropleiding industrial ecology aan de TU Delft , waarin Delftse technici, Leidse milieukundigen en Rotterdamse economen samenwerken aan de ontwikkeling van ecologisch en economisch verantwoorde productiemethoden: ‘De duurzaamheiddiscussie richt zich momenteel vooral op energie. Bij Braungart en McDonough gaat het om materialen. Zij zeggen, en volkomen terecht: Wij laten die energie maar even zitten en kijken naar de stoffen, want dat aspect wordt momenteel verwaarloosd". Dat waardeer ik zeer.'

De aandacht voor de materialen is ook in die zin gerechtvaardigd, dat deze een eindige voorraad vormen en energie in principe niet. Zolang die energiebron maar de zon is, of getijde, of wind.

Korevaar: ‘Als al je energie duurzaam is, en je er dus ongebreideld gebruik van kunt maken, is in principe de materiaalvoorraad ook oneindig. Want de materialen lopen natuurlijk niet weg. De aarde is wat dat betreft een gesloten systeem. Alleen eindigen die materialen in een vorm waarin je er niets meer mee kunt ­- tenzij je er ongelooflijk veel energie in kunt steken.'

Het boek Cradle to Cradle illustreert dit probleem: het is gemaakt van kunststof waardoor de pagina's gewoon weer als nieuw ‘papier' kunnen worden hergebruikt. En de inkt is volledig herwinbaar ­ dit boek is dus eindeloos als boek te hergebruiken. Maar aan de andere kant: het is wel bijna vier keer zo zwaar als een gewoon boek met evenveel tekst. Dat betekent veel meer energieverbruik in de levering aan de boekwinkel.

‘Cradle to cradle is een prachtig concept', zegt Korevaar. ‘Maar je kunt het alleen maar uitwerken als je beschikt over de kennis die op dit terrein al sinds een jaar of twintig ontwikkeld wordt.' Hij wijst erop dat zowel aan de universiteiten als in het bedrijfsleven allang druk wordt gestudeerd op en gewerkt wordt met vergelijkbare protocollen. Daar heet het dan ‘integraal ketenbeheer', en het moet gezegd: ‘cradle-to-cradle' klinkt een stuk opwindender.

C2C gewoon doen?

Lang niet alle successen die de C2C-‘beweging' boekt, zijn -­ hoe mooi ook ­- uniek. ‘DSM maakt al vijftien jaar lang tapijt waaruit het nylon kan worden teruggewonnen'.

Korevaar wijst daarmee op een probleem dat degene die de VPRO-documentaire zag, of die de berg aan literatuur over C2C doorploegde, ook zal zijn opgevallen: in alle indrukwekkende en enthousiast makende voorbeelden is het steeds weer een van de twee geestelijke vaders die het project begeleidde ­- als al niet een van hen de oprichter ervan was.

‘Een goed C2C-project opzetten, kun je alleen maar als je beschikt over heel veel kennis die we op het gebied van ecologische industrialisatie inmiddels hebben', zegt Korevaar. ‘Het lijkt nu wel of je eenvoudigweg dat boek kunt lezen en kunt roepen: "Top! Gaan we doen!". Maar zo makkelijk gaat dat niet. Vergis je niet, die beide mannen zijn absolute toppers op hun vakgebied, met veel ervaring. Zij kunnen dit doordat ze over zoveel gewone vakkennis beschikken.' Om uit de zestienhonderd kleurstoffen die de eerdergenoemde textielfabriek liet testen, precies die zestien te vinden die bruikbaar zijn, heb je wel de begeleiding nodig van een chemicus die verstand heeft van wat de diverse chemicaliën met het milieu doen.

Van de paar honderdduizend hits die de zoekopdracht ‘cradle to cradle' bij Google oplevert, komt bijna tien procent uit Nederland, vijf maal zoveel als uit Duitsland, Michael Braungarts thuisland. Nederland is duidelijk heel erg aan de C2C. Een paar gemeentes hebben zich enthousiast op het concept gestort. Almere heeft McDonough in de arm genomen bij de verdere uitbouw van de stad, Haarlemmermeer laat McDonough een C2C-kantorenpark ontwikkelen. En Venlo heeft onder meer allerlei plannen rond de Floriade-wereldtentoonstelling die daar in 2012 gehouden wordt.

Drie ‘sporen' ziet wethouder Verheijen van Venlo vóór zich. Allereerst wil hij dat vijftig bedrijven uit de regio op de Floriade gaan demonstreren hoe zíj het C2C-principe in hun bedrijf hebben toegepast. Vervolgens wil hij dat de gebouwen en kassen van de Floriade volledig C2C zijn -­ en blijven, want na de wereldtentoonstelling zal er voor de gebouwen een nieuwe bestemming worden gevonden. Maar vooral ook wil Verheijen dat de opgedane kennis vervolgens wordt bewaard en doorgegeven. Het liefst in een nog op te zetten postdoc-studie, waar afgestudeerden uit relevante disciplines in een jaar tijd zich verder in de C2C- techniek bekwamen. Michael Braungart heeft al laten weten daar best hoogleraar te willen worden. Maar voor het zover is, zullen er nog heel wat barrières moeten worden geslecht. ‘Je komt bij de universiteiten nogal wat gevestigde belangen tegen', aldus Verheijen.

Noord-Limburg toonbeeld duurzaamheid

Wat Verheijen uiteindelijk voor zich ziet, is de hele regio Noord-Limburg als een toonbeeld van duurzaamheid. En dat op zich is een interessante propositie. Want vrijwel alle voorbeelden die er tot nu toe zijn, betreffen fabrieken die hun eigen producten recyclen. Voor overzichtelijke producten is dat goed te doen, maar als het om producten gaat met honderden, of zelfs duizenden ingrediënten, moet je toch gaan denken aan een infrastructuur waarbij al die herwonnen grondstoffen en materialen over en weer voor hergebruik worden uitgewisseld.

‘Het lijkt mij ontzettend interessant om zo'n systeem eens uit te werken', zegt academicus Korevaar. En VVD-wethouder Verheijen: ‘De grote afvalverwerkers zien zichzelf allang als de regisseurs van de verdere verwerking van materialen. Het meeste afval is bedrijfsafval en dat wordt nu al grotendeels geherdistribueerd. Die afvalverwerkers zien voor zichzelf wel een mooie rol weggelegd in een C2C-infrastructuur. En de fabrijanten, die willen ook wel. Die houden helemaal niet van afval. Want dat zijn toch grondstoffen waarvoor ze ooit hebben betaald, en waar ze dan nog eens een keer voor moeten betalen als ze er vanaf willen.

Nee', spreekt de man van de VVD, ‘Je kunt dat met een gerust hart aan het bedrijfsleven overlaten.'

En als het bedrijfsleven daar inderdaad in slaagt, zal C2C zich met recht een plaats verwerven in het scala van technieken die uiteindelijk tot een ecologisch, economisch en maatschappelijk verantwoorde industriële groei moeten leiden.

 

Go to Content
Webdesign Hedgehog Creations
Go to Top