Go to Content
Go to Navigation

Van grootschalig naar kleinschalig

Auteur: Rijkert Knoppers  • Gepubliceerd: vrijdag 25 apr 2008

Microreactortechnologie is een van de mogelijkheden om de milieubelasting van de chemische industrie omlaag te brengen. Dit vertelde prof.dr.ir. Jaap Schouten op het symposium Cradle tot Cradle, afgelopen dinsdag aan de TU Eindhoven.

De ideale chemische fabriek van de toekomst is ‘klein en fijn’ dankzij kleinschalige microreactortechniek kan de milieubelasting omlaag. ‘Een belangrijk deel van de huidige petrochemische industrie is grootschalig, zoals in de Europoort, Zuid-Limburg en Antwerpen, en dat zal voorlopig wel zo blijven’, aldus Jaap Schouten, hoogleraar Chemische Reactortechnologie aan de TU Eindhoven. ‘Dat komt onder meer omdat afschrijvingsperiodes van grootschalige installaties zich soms over tientallen jaren uitstrekken, waardoor ingrijpende verbeteringen moeilijk te realiseren zijn.’

Maar er zijn ook andere chemische takken, zoals de fijnchemie en de farmaceutische industrie, die op kleinschaliger niveau kunnen werken en dan minder grondstoffen nodig hebben, minder afval produceren, en minder energie verbruiken. Daar stuurt de chemische industrie al sterk op aan. Zo is bijvoorbeeld een van de doelstellingen van het onderzoeksprogramma Green & Smart Process Technologies van STW om nieuwe technologie en processen te ontwikkelen die het grondstoffengebruik binnen vijf tot tien jaar met een factor twee tot vijf omlaag kunnen brengen.

Schouten wijst erop, dat onder meer in het Oostenrijkse Linz al enige tijd een microreactor van DSM Fine Chemicals Austria staat, waarin veiliger en efficiënter chemische reacties plaatsvinden. In de VS zijn momenteel microreactorinstallaties in ontwikkeling voor onder meer het maken van waterstof uit methaan en voor het produceren van synthetische brandstoffen. ‘Gekscherend zou je kunnen zeggen dat de toekomstige chemische fabriek in een schoenendoos past, maar je kan je ook voorstellen dat je met een dergelijke installatie op een vrachtauto naar een locatie rijdt waar de grondstoffen zijn of waar afzet voor de eindproducten is’, aldus Schouten. ‘Ik wil niet zeggen dat je hiermee meteen een volledig gesloten kringloop kunt realiseren, maar deze aanpak draagt wel bij tot een verduurzaming van de chemische industrie.’

Schouten was afgelopen dinsdag een van de sprekers op het symposium Cradle to Cradle op de TU Eindhoven, dat in het teken stond van duurzaam ontwerpen. Dagvoorzitter prof.ir. Jouke Post, hoogleraar Bouwtechnisch Ontwerpen aan de TU/e, gooide in zijn lezing de knuppel in het hoenderhok door te stellen dat gebouwen uit oogpunt van milieu een levensduur van ongeveer twintig jaar zouden moeten hebben. ‘Uitgangspunt is wel dat het gebouw tot het laatste moment goed zou moeten kunnen functioneren’, aldus Post. ‘Een half jaar voor het einde zou het gebouw bij wijze van spreken moeten beginnen te rammelen, zodat je op tijd je spullen kan pakken voordat het instort.’

Post heeft tien jaar geleden zijn idee vormgegeven in zijn ontwerp van het in Delft gebouwde XX-gebouw. Hij hekelt hierbij de gangbare opvatting dat gebouwen voor de eeuwigheid zouden moeten blijven bestaan. ‘Je ziet in de praktijk dat er veel sloop van gebouwen plaatsvindt vóór het eind van hun technische levensduur. Het gevolg is, dat er veel sloopafval ontstaat. Je zou beter gebouwen kunnen ontwerpen die ophouden te bestaan aan het einde van hun functionele levensduur. De materialen zouden dan terug moeten keren naar hun grondstof. In het project XX zijn daarom onder meer kartonnen ventilatiekokers en een zandgevulde vloer toegepast.’


Deze benadering zou ook goed toepasbaar zijn op gebruiksvoorwerpen en producten, waarbij een voorwerp na een gebruiksperiode ophoudt te bestaan. ‘Daarmee wil ik niet zeggen dat je het wegwerpen moet stimuleren’, verduidelijkt Post. ‘Maar aan de andere kant gaat het concept cradle-to-cradle er wel vanuit dat wegwerpen de basis is voor nieuwe groei.’

 

Go to Content
Webdesign Hedgehog Creations
Go to Top